Geactualiseerd op 28 september 2026.
Uw onderneming heeft een goede vordering, maar de beslissende correspondentie ligt bij de wederpartij. Of u wordt aangesproken op een afspraak die volgens u nooit zo is gemaakt. In beide situaties bepaalt de beschikbaarheid van bewijs mede of procederen zinvol is. Sinds 1 januari 2025 biedt het vernieuwde burgerlijke bewijsrecht een aangepaste regeling om informatie te verkrijgen en veilig te stellen.
De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft verschillende instrumenten samengebracht en bestaande praktijk wettelijk uitgewerkt. Zij verandert niet de basisregel dat wie zich op rechtsgevolgen beroept, in beginsel de daarvoor noodzakelijke feiten moet bewijzen. De winst moet vooral komen uit betere voorbereiding en gerichte bewijsvergaring.
Begin bij de feiten die werkelijk beslissend zijn
Een omvangrijk dossier is nog geen sterk bewijsdossier. Bepaal eerst welke feiten nodig zijn voor uw vordering of verweer. Bij een contractgeschil kan het gaan om de afgesproken prestatie, een tijdige klacht, een herstelmogelijkheid of de oorzaak van schade. Koppel aan ieder feit de beschikbare stukken en de informatie die nog ontbreekt.
Dit voorkomt dat een inzageverzoek een algemene zoektocht wordt. Het helpt ook bij de keuze tussen onderhandelen, een voorlopige bewijsverrichting en een bodemprocedure. Onze praktijk geschillen en procedures richt zich daarbij op de combinatie van juridische positie, bewijsbaarheid en het zakelijke belang van de uitkomst.
Voorlopige bewijsverrichtingen kunnen worden gecombineerd
De regeling vanaf artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maakt het mogelijk verschillende voorlopige bewijsverrichtingen in één verzoek te combineren. Denk aan een getuigenverhoor, deskundigenonderzoek, plaatsopneming en inzage in gegevens. Het verzoek moet het geschil en de verlangde informatie concreet omschrijven.
Zo kan een onderneming eerst de relevante projectadministratie laten verstrekken en daarnaast een deskundige laten onderzoeken welke technische gebreken bestaan. De volgorde verdient aandacht: een deskundige kan weinig beoordelen zonder de juiste brongegevens. Zodra de zaak bij de behandelende rechter aanhangig is in de daarvoor relevante procesfase, worden bewijsverzoeken via de lopende procedure behandeld. De gekozen route moet dus aansluiten bij het stadium van het geschil.
Een duidelijker recht op inzage in gegevens
Artikel 194 Rv geeft een partij bij een rechtsbetrekking met voldoende belang recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. De artikelen 195 en 195a regelen rechterlijke bevelen tegenover de wederpartij en derden. Ook gegevens bij bijvoorbeeld een tussenpersoon kunnen dus relevant zijn.
De term ‘gegevens’ maakt duidelijk dat het niet uitsluitend om papier gaat. Digitale correspondentie viel echter ook onder het oude recht. De verandering betekent evenmin dat u zonder afbakening alle bestanden kunt opvragen. Het verzoek moet duidelijk maken om welke informatie het gaat en waarom die voor uw rechtspositie van belang is.
De verhouding tussen het huidige criterium ‘voldoende belang’ en de onder het oude recht ontwikkelde aannemelijkheidsmaatstaf is onderwerp van verdere rechtsontwikkeling. Onze bespreking van Utrecht Holdings behandelt dat onderscheid. Een nieuw verzoek vraagt nog steeds een concrete onderbouwing.
Wat laat de eerste rechtspraak zien?
In Rechtbank Noord-Nederland 3 september 2025 werd inzage gevraagd in communicatie over een vastgoedtransactie. De rechtbank vond de omschrijving grotendeels voldoende bepaald, maar schrapte een te open uitbreiding. Zij oordeelde ook dat in een lopende procedure rechtstreeks een rechterlijk inzageverzoek kan worden gedaan; een voorafgaand buitengerechtelijk verzoek is dan niet categorisch vereist.
De praktische les is tweeledig. Beschrijf de gegevens zo precies als redelijkerwijs mogelijk, zonder te doen alsof ieder documentnummer al bekend moet zijn. En kies de procedure die past bij de situatie. Een vrijwillig informatieverzoek kan verstandig zijn, maar hoeft niet in iedere zaak de verplichte eerste stap te vormen.
Bewijsbeslag bewaart informatie onder waarborgen
De artikelen 205 en 206 Rv geven een uitdrukkelijke regeling voor conservatoir bewijsbeslag. De verzoeker moet onder meer de gegevens, rechtsbetrekking en gegronde vrees voor verlies of verduistering beschrijven. Bescherming van vertrouwelijkheid is een voorwaarde voor het verlof.
Bewijsbeslag geeft geen onmiddellijke toegang tot de inhoud. Daarover moet de rechter afzonderlijk in de hoofdzaak beslissen. Bereid daarom bewaring en eventuele latere selectie tegelijk voor. Onze serie over bewijsbeslag gaat in op de uitvoering, de rol van deskundigen en mogelijkheden om tegen een te ruim beslag op te komen.
Een deurwaarder kan feiten vastleggen, maar tegenbewijs blijft mogelijk
Artikel 207 Rv regelt een proces-verbaal van constateringen op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, na rechterlijk verlof. Een deurwaarder kan daarmee persoonlijk waargenomen feiten vastleggen, eventueel met beeld- of geluidsmateriaal. Dat kan relevant zijn bij een situatie die later verandert, zoals de staat van een bedrijfsruimte of een installatie.
De bewijsrechtelijke betekenis betreft wat de deurwaarder binnen zijn bevoegdheid zelf heeft waargenomen en vastgelegd. Het maakt zijn verslag niet tot een onaantastbaar oordeel over oorzaak, aansprakelijkheid of schade. Tegenbewijs blijft in beginsel mogelijk. Voor technische conclusies kan daarnaast een deskundige nodig zijn.
Partijgetuigen en de rol van de rechter
De vroegere beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring in artikel 164 lid 2 Rv is vervallen. De rechter kan zo’n verklaring vrij waarderen. Dat betekent niet dat een eigen verklaring automatisch voldoende bewijs oplevert. Consistentie, concrete herinneringen en steun in andere gegevens blijven belangrijk.
Artikel 24 lid 2 Rv verduidelijkt bovendien dat de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd met partijen de grondslag van vordering, verzoek of verweer kan bespreken. De rechter wordt daarmee geen onderzoeker die buiten het partijdebat zelfstandig een nieuwe zaak opbouwt. Partijen blijven verantwoordelijk voor hun stellingen en moeten gelegenheid krijgen te reageren.
Geen algemene nieuwe plicht om alles vooraf te verzamelen
De voorgestelde uitbreiding van artikel 21 Rv met een afzonderlijke informatiegaarplicht is niet in de uiteindelijke wet terechtgekomen. De bestaande waarheidsplicht blijft wel gelden: voor de beslissing relevante feiten moeten volledig en naar waarheid worden aangevoerd. Daarnaast bestaan specifieke verplichtingen om stellingen en bewijs te presenteren en kan de rechter informatie bevelen.
Praktisch blijft vroeg verzamelen verstandig. Bewaar correspondentie, versies van overeenkomsten, logbestanden en beslisnotities zodra een geschil voorzienbaar wordt. Stem die bewaring af op privacy en vertrouwelijkheid; een goed dossier bestaat uit relevante gegevens met controleerbare herkomst.
Overgangsrecht kan de termijn bepalen
Voor zaken die vóór 1 januari 2025 al liepen, kan het oude recht in de betreffende instantie blijven gelden. De Hoge Raad verduidelijkte op 6 februari 2026 bovendien dat de mogelijkheid en termijn van rechtsmiddelen bij eerder ingediende voorlopige bewijsverzoeken door het oude regime beheerst kunnen blijven, ook in volgende instanties. De datum van de uitspraak alleen geeft dus geen volledig antwoord.
Wilt u informatie opvragen, bewijs veiligstellen of reageren op een verzoek van de wederpartij? Sascha Lang beoordeelt met u welk bewijs nodig is en welke route daarbij past. Neem contact op voordat termijnen, verwijderbeleid of een ongerichte procedure uw positie verzwakken.