Deze update is geschreven door:

Thomas Kriense
Update

Databank of webshop? Feitelijke informatie en het databankrecht

Op 22 april 2025 wees het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest in een zaak waarin ik de gedaagde partij bijstond. In deze zaak stond het grensvlak tussen commerciële informatieverschaffing via een webshop en databankbescherming centraal. De uitkomst onderstreept het belang van een juiste toepassing van het databankrecht in commerciële verhoudingen en bovenal dat niet alles zonder meer onder de Databankenwet databankrechtelijke bescherming verdient – ook al is er wel sprake van een dataverzameling (zoals een webshop).

Waarover ging deze zaak

Eiseres heeft een webshop gespecialiseerd in onderdelen voor Japanse minitractoren. Zij stelde dat haar zogenaamde bijzondere productinformatie – technische gegevens over de compatibiliteit van onderdelen – onder het databankenrecht viel. Gedaagde, eveneens exploitant van een concurrerende webshop, zou deze informatie hebben overgenomen en daarmee inbreuk maken op haar databankrechten.

Wat is een databank (in de zin van de Databankenwet)

Een databank wordt wettelijk omschreven als een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk toegankelijk zijn, en waarvan de verkrijging, controle of presentatie in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een “substantiële investering.”

Aan de hand van deze definitie zal men al snel geneigd zijn een gegevensverzameling als een databank aan te merken. In feite is elke webshop een verzameling van systematische en doorzoekbare gegevens. Maar wanneer mag je nu zeggen dat deze gegevensverzameling onder het databankrecht beschermd is – en kun je anderen dus verbieden hier informatie uit over te nemen?

Welke investeringen tellen mee?

Voor databankbescherming is een substantiële investering in de verkrijging, controle of presentatie van de inhoud nodig. De kosten van het creëren van gegevens tellen daarbij niet mee. Dat een databank onderdeel is van een commerciële webshop, sluit bescherming op zichzelf echter niet uit. De relevante investeringen moeten afzonderlijk worden onderbouwd; zie rechtsoverwegingen 4.7–4.11 van het arrest.

Terug naar het arrest

Het hof wees de aanspraak af omdat de relevante investeringen onvoldoende waren onderbouwd. Ook technische compatibiliteitsgegevens kunnen deel uitmaken van een beschermde databank. Het technische karakter of het commerciële doel van de verzameling is dus niet beslissend.

Het hof bekrachtigde hiermee het oordeel van de rechtbank: hoewel Eiseres wel investeringen had gedaan in het ontwikkelen van productkennis, zagen deze niet op het aanleggen van een databank zoals bedoeld in de wet. Omdat zij ook in hoger beroep geen onderbouwing kon geven van substantiële investeringen in de verkrijging, controle of presentatie van de databankinhoud, faalde haar beroep op het sui generis databankrecht.

Geen databankrecht, maar wellicht onrechtmatig?

Daarnaast stelde Eiseres dat het gebruik van deze informatie door Gedaagde onrechtmatig was en leidde tot ongerechtvaardigde verrijking. Ook deze vorderingen strandden. Het hof benadrukte dat in een vrije markt het gebruik van feitelijke informatie – die niet onder een absoluut recht valt – in beginsel is toegestaan. Alleen onder bijkomende omstandigheden, zoals het omzeilen van technische toegangsbeperkingen, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen. Die omstandigheden waren hier niet aan de orde.

Conclusie

Het arrest onderstreept terecht dat databankbescherming méér vereist dan enkel het hebben van een geordende en doorzoekbare gegevensverzameling. Cruciaal is dat sprake is van substantiële investeringen in de verkrijging, controle of presentatie van reeds bestaande gegevens – niet in het creëren van informatie zelf. Daarnaast bevestigt het Hof dat zuiver technische gegevens, zoals compatibiliteitsinformatie, niet zonder meer kunnen worden gemonopoliseerd.

Voor ondernemingen is de praktische les dat zij relevante kosten, uren en werkzaamheden moeten kunnen specificeren. Voor gebruikers is het ontbreken van databankbescherming geen algemene vrijbrief: andere rechten, contractuele afspraken of bijkomende omstandigheden kunnen hergebruik alsnog beperken.

Heeft u zelf te maken met databankrechtelijke aanspraken, of andere intellectuele eigendomskwesties, neem dan contact op met Thomas Kriense, Intellectueel Eigendom, IT en Privacy advocaat Guldemond Advocaten.

Lees meer updates
Een bekende merknaam of herkenbare huisstijl is verleidelijk materiaal voor een politieke campagne, satire of online-uiting. Maar wie daarmee aandacht wil trekken, begeeft zich al snel op merkenrechtelijk terrein. Een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie – gewezen in een zaak die voortkwam uit een geschil tussen IKEA en het Vlaams Belang – maakt duidelijk dat merkgebruik, ongerechtvaardigd voordeel, geldige reden en vrijheid van meningsuiting nauw met elkaar samenhangen. Wanneer is een parodie toegestaan, en wanneer lift zij vooral mee op de aantrekkingskracht van een bekend merk?
De LEGO Groep treedt niet alleen op tegen namaakbouwsteentjes, maar ook tegen het (commerciële) gebruik van haar woordmerk LEGO buiten de speelgoedmarkt. In een recente bodemzaak bij de Rechtbank Den Haag stond centraal dat Boon Beton betonnen stapelblokken online aanbood met termen als “Lego”, “Legoblokken van beton” en “betonnen legoblokken”. De kern: LEGO komt op basis van haar woordmerk op tegen de wijze waarop Boon Beton haar producten presenteert en vindbaar maakt, met name door overvloedig en SEO-gedreven gebruik van “LEGO/legoblokken” in webteksten.
Een opvallende rode “bal” op een verpakking kan voor marketeers een krachtig herkenningspunt zijn, maar in het merkenrecht is dat nog geen gegeven: de vraag is of de gemiddelde consument zo’n eenvoudig beeldelement ook echt ziet als herkomstaanduiding en niet slechts als verpakkingdecoratie. Een recente uitspraak van het Benelux‑Gerechtshof over een glanzende rode cirkel/bol op vaatwastabletten laat zien hoe streng die toets kan uitpakken en waarom marktcontext en sectorconventies daarbij zwaar wegen. In dit blog bespreek ik aan de hand van die uitspraak wanneer een teken intrinsiek onderscheidend is, wanneer het dat niet is, en hoe een aanvankelijk “decoratief” element via inburgering toch merkrechtelijke bescherming kan verkrijgen.